drawings
paintings
graphics
installations
views
texts
books
agenda
cv
contact



2 > E  NL


ad van rosmalen
arjan janssen
2001

print text
 




Schilder

In hoeken van negentig graden staan horizon en verticale extreem tegenover elkaar, elke andere hoek zou ergens in het schilderij of de tekening deze tegenstelling in beginsel teniet kunnen doen. Wat op het eerste gezicht het belangrijkste aspect van het werk lijkt, de verticaliteit en de volgzame horizon ervan, blijkt in tweede instantie een gevolg te zijn van de principiële keus voor de rechte hoek. Die ene rechte hoek heeft drie andere rechte hoeken tot gevolg, het is een eenheidsprincipe; een stompe hoek levert aanliggend altijd een scherpe op en dan ontstaat er geen eenheid maar een verwarrende hoeveelheid toevalligheden.

Heeft de schilder eenmaal de rechte hoek gevonden dan opent zich een scala aan beeldende elementen en momenten van beslissing: Afstanden van lijnen tot elkaar, repeterende patronen, interferenties, op elkaar afgebeelde matrices, ritme, maat en verstoorde regels. De keus voor een eenheidsprincipe produceert eindeloze reeksen van consequenties terwijl het toeval eindig is in een enkel stilvallende voorstelling. Schilder ik een koe, dan kan ik nadien besluiten nog een koe te schilderen en nog een, maar het blijft een enkel schilderij terwijl de gevolgen van een eenheidsprincipe, zoals de rechte hoek, niet voorspelbaar zijn in de zin van een kudde koeien.

Met een eenheidsprincipe is het mogelijk om een universum te constitueren, zoals het principe van het waterstofatoom ten grondslag ligt aan de materie in ons heelal. Het schilderen van schilderijen, en het tekenen van tekeningen, is het concreet scheppen van dat mogelijke universum. De werken zijn niet de verbeelding van bijvoorbeeld een bepaald ritme, ze zijn dat precieze ritme zelf. De ene matrix wordt niet gecombineerd met een andere om een aantrekkelijk kunstwerk te verkrijgen maar het aldus ontstane schilderij is een deel van het universum dat mogelijk wordt als gevolg van het constituente principe van de rechte hoek.

De schilder volgt het principe en creëert zo het universum, maar de schilder is geen ingenieur die op basis van een constructieprincipe overal een brug kan aanleggen of een toren tot de hemel kan bouwen. Met het principe bakent de schilder zijn universum af en legt hij de verschillende delen vast nog voordat het schilderij begonnen wordt. Pas dan komen materiaal en verf, kleur en handeling, waarmee het werk ontstaat als concreet object van het universum. Terwijl het ritme niet verbeeld wordt, maar ritme is, vormen het materiaal en de verf, kleur en handeling, de verbeelding van het ritme.

Zo is duidelijk dat de schilder niet een automaat is, zoals een computer die op basis van in een programma vastgelegde regels, een eindige hoeveelheid producten kan leveren. De schilder is vrij te kiezen in welk materiaal hij langs elkaar schuivende matrices laat bestaan met als persoonlijke opdracht dat hij duidelijk moet maken dat het schilderij als geheel niet een beeld is, maar dat de universele schuivende matrices voor dit moment in die bepaalde kleur materieel worden. Het subtiele verschil tussen zijn en worden, tussen het eeuwige en het tijdelijke, komt dan als belangrijkste motief van de schilder naar voren.


Verlichting

De rechte hoek die leidt tot een kwestie van zijn en worden: Het is een duizelingwekkende gedachte die meer conceptuele problemen veroorzaakt dan oplost. De vraag of de ritmes en matrices ergens bestaan, voordat de schilder ze materialiseert met het schilderij, is zo'n problematiek. De vraag naar het bestaan van het beeld is de volgende. Een al even oneindig universum van conceptuele problemen doemt aan de horizon op alleen maar omdat de schilder ervoor kiest om een rechte hoek te nemen en niet Christus aan het kruis, de dood van Marat, vier appels op de schaal of het zwart vierkant.

Al is de geboortedatum van de moderniteit niet vast te stellen, zoals Stephen Toulmin zegt, of zelfs al zijn we nooit modern geweest, zoals Bruno Latour meent, ergens in de zeventiende eeuw zijn er de denkbeelden geopperd die beslissend zouden worden voor het Europese denken en voor de geschiedenis als geheel. Scherper dan ooit tevoren kwam de tegenstelling tussen rationaliteit en irrationaliteit naar voren en de intellectuele positie die men wenste in te nemen had, met het wisselen van de politieke of religieuze macht, consequenties die leven of dood konden betekenen voor principiële mensen die hun ideeën niet wilden loochenen.

Welke positie men ook koos, de hartstocht waarmee men zocht naar oplossingen op vragen, die gedurende de voorafgaande eeuwen niet opnieuw gesteld waren, was ongekend en men was bereid grote persoonlijke risico's te lopen in pogingen om denkbeelden te kunnen uitwerken tot theorieën, theorieën tot levensbeschouwingen en levensbeschouwingen tot methoden om een ethisch bestaan te kunnen leiden. Vreemd genoeg zou het nog drie eeuwen duren voordat in de beeldende kunst de moderniteit, de tegenstelling, de hartstocht en de risico's een rol speelden op dezelfde fundamentele wijze als men in de zeventiende eeuw de wereld, en het menselijk leven daarin, begon te denken.

Het schilderij, in de door traditie ontwikkelde figuratie, wist zich als het ware beter te verzetten tegen de zuivere abstractie dan het denken. Later wordt het schilderij ook in abstractie begrepen en kunnen schilderijen als rechtstreekse denkbeelden worden gezien in plaats van als illustraties daarbij of ervan verhalend. Het schilderij gaat van metafoor over naar metonymie, van verbeelding naar beeld, van object waardoor iets getoond wordt naar object dat toont. De schilder weet zich ineens de collega van de wetenschapper, de vriend van de zieners en de leidsman van de zoekers naar zin. Maar was het hem daar om begonnen?

"Ja, want wie anders dan de koningfilosoof, wie anders dan de schilderdichter, kan het werkelijke schouwen?" "Neen, want het is een te pretentieuze positie in de huidige tijd!" Een bekende vraag, als bevestiging, een modern antwoord, als ontkenning. Werkend aan een nieuw schilderij is de schilder de persoonsgeworden bevestiging; terugstappend en kijkend naar welk schilderij het werd, moet hij het ontkennen. De schilder is, het schilderij wordt, en zo is er opnieuw een overgang van zijn naar worden, weer een onveranderbare positie en een toevallige toestand. Het is de schilder begonnen om het schilderij in niets minder dan de waarheid.


Ad van Rosmalen.